donderdag 16 juni 2016

Akkerkool

Akkerkool -  Lapsana communis


Er zijn veel soorten onder de composietenfamilie met gele bloemhoofdjes, en ze zijn lang niet allemaal uit mekaar te houden. Maar deze is wel gemakkelijk herkenbaar aan het beperkte aantal lintbloemen in zo'n hoofdje (gemiddeld 13). 

De bladeren onderaan de plant zijn liervormig, dat wil zeggen ze hebben een grote eindlob en een paar kleine slippen. Naar boven toe is de bladvorm ongedeeld meer lancetvormig met een getande rand en bovenaan zijn ze lancetvormig tot lijnvormig.

De typische vorm van de onderste bladeren
Akkerkool, Lapsana communis, is zoals haar wetenschappelijk soortnaam al vertelt, een heel algemeen voorkomend plantje.
Lapsana komt van het Griekse Ia(m)psanè, een bij de Oude Grieken bekende moesplant, die zacht purgerend werkte. Het woord staat in verband met lapadzoo (purgeren). Communis betekent gewoon of algemeen.



De hoofdjes van ongeveer 1 cm breed staan op tamelijk lange stelen, waardoor ze samen een pluimvormige bloeiwijze geven, die tamelijk open is.
De twee centimeter grote bloempjes zijn op de foto’s te zien. De bloempjes zijn ook meestal gesloten.  ’s Ochtends vroeg openen ze zich soms. Dit gebeurt enkel en alleen met zonnig weer en ze sluiten zich altijd bij het aanbreken van de middag. Met slecht weer openen de ‘tepels’ zich helemaal niet. Akkerkool compenseert deze matigheid in vertoning wel door lang in bloei te blijven. Hij  bloeit van juni tot aan het begin van de herfst. Als hij vervolgens afsterft in de winter, dan sterft hij in zijn geheel af omdat het een eenjarige plant is.


De planten bevatten melksap. Dat is goed te zien als je de stengel doorsnijdt. Dan merk je ook meteen dat de stengel hol is. (zie foto)


Akkerkool verspreidt zich door zaad, maar afwijkend van zijn familiegenoten (zoals de paardenbloem) hebben de zaadjes geen pappus. Akkerkool heeft dus geen pluisharen om zijn zaad mee te verspreiden via de wind.

De soort kan soms verward worden met de muursla, maar deze soort heeft maar heel weinig bloemen in een hoofdje, namelijk vijf.

De soort is eigenlijk minder aan de akker gebonden dan de naam doet vermoeden. Akkerkool komt ook in de stad voor.  Akkerkool houdt van omgewerkte grond aan de rand van struwelen en aan bosranden. Maar ik vond ‘m ook al op straat, op de stoep, langs de kant van de weg.

Bij Pruisische apothekers stond de plant bekend als papillaris (van het Latijnse papilla = tepel). Ze gebruikten de plant bij ontstekingen.

Ook voor de mens heeft akkerkool zijn nut bewezen. In de middeleeuwen verzamelde men akkerkool  om het in een heerlijk omelet te gebruiken. Het was een geliefde plukgroente. De jonge bladeren en scheuten kunnen ook als spinazie worden klaargemaakt of gewoon rauw in de salades. De jonge bladrozetten kunnen ook al geplukt worden. De bladeren hebben een nootachtige smaak.

Het jonge, malse blad wordt gegeten in salade of kort in de roerbak of pan als spinazie. De smaak is pittig als radijs met een aromatisch bittertje.
De jonge scheuten en jonge, malse bladeren kunnen worden gegeten als spinazie, worden verwerkt in salades en omeletten of kort roerbakken. De smaak is pittig als radijs. De bladeren werken licht laxerend.
In het Engels heet de plant Nipplewort (door de vorm van de bloemknoppen). Ook bij ons wordt de plant in sommige streken tepelkruid genoemd.



Disclaimer bij het gebruik van deze blog:


"Wilde planten in Brugge" is niet verantwoordelijk voor eventuele schade, van welke aard dan ook, als gevolg van het gebruik van planten voor medische of culinaire doeleinden.  “Wilde planten in Brugge” kan niet aansprakelijk gesteld worden voor aanspraken die voortkomen uit de verkeerde determinatie van een kruid of het verkeerde gebruik ervan in de ruimste zin van het woord. Dit artikel vervangt niet het deskundig advies van een arts of een erkend fytotherapeut.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen